theorie_1819
← Alle Hoofdstukken
Inhoudsopgave

26 Evolutie
26.1. Op zoek naar het beg...
26.1.1. Leven uit de ruimte?
26.1.2. Stammen we uit de di...
26.1.3. De RNA-wereld
26.1.4. Leven op andere plan...
26.1.5. Toetsvragen bij 26.1
26.2. Van eencellig naar m...
26.2.1. Prokaryoten en eukar...
26.2.2. De Cambrische explos...
26.2.3. Hoe zag de aarde er ...
26.2.4. Plaattektoniek en ev...
26.2.5. Vanuit de zee het la...
26.2.6. Oefenvragen bij 26.2
26.3. Het grote uitsterven
26.3.1. Herstel na uitstervi...
26.4. De evolutietheorie
26.4.1. Darwin
26.4.2. Natuurlijke selectie
26.4.3. Neo-darwinistische e...
26.4.4. Geen darwinisme, maa...
26.4.5. Snelle evolutie
26.4.6. Soortvorming: allopa...
26.4.7. Eilandevolutie
26.4.8. Oefenvragen (1) bij ...
26.4.9. Oefenvragen (2) bij ...
26.4.10. Toetsvragen bij 26.4
26.5. Onderzoek naar soort...
26.5.1. Fossielen
26.5.2. Ouderdomsbepaling
26.5.3. Embryologie
26.5.4. Homologe en analoge ...
26.5.5. Hemoglobine, cytochr...
26.5.6. Gedrag
26.5.7. In een oogwenk
26.5.8. Toetsvragen bij 26.5
26.6. Populatiegenetica
26.6.1. Wet van Hardy-Weinbe...
26.6.2. Toepassing van de we...
26.6.3. Verandering in de al...
26.6.4. Oefenvragen bij 26.6
26.6.5. Toetsvragen bij 26.6
26.7. Toen verscheen de me...
26.7.1. De menselijke voorge...
26.7.2. Raadsels
26.7.3. Veel manieren om men...
26.7.4. Complexe menswording
26.7.5. Toetsvragen bij 26.7

U bezoekt 10voorBiologie.nl als gast-gebruiker, waardoor u slechts een fractie van onze lesstof kunt bekijken. Met ons proefabonnement verkrijgt u toegang tot het volledige aanbod. Vraag het proefabonnement nu direct aan of neem contact op met info@10voorbiologie.nl.

26.5.3 Embryologie

Niet alleen van fossielen, ook van levende organismen valt veel te leren over de evolutie. Toen in de negentiende eeuw het anatomische onderzoek van mens en dier steeds meer details aan het licht bracht, viel het al snel op dat de eerste stadia van de embryonale ontwikkeling bij alle dieren ongeveer gelijk verlopen en dat bij de gewervelde dieren de embryo's ook in latere stadia een gelijkvormige ontwikkeling doorlopen.

Ernst Haeckel (1834-1919), ontwikkelde zelfs een 'biogenetische grondwet', die zei dat elk dier in zijn embryologische ontwikkeling zijn eigen evolutie in het kort herhaalt (recapitulatietheorie). Hieruit concludeerden anderen (en nog tot ver in de twintigste eeuw) dat een mens dus in een bepaald stadium een visje is. Dat is natuurlijk niet zo, maar wel waar is dat bepaalde aspecten van de voorgeschiedenis van een hoger dier terug te vinden zijn in zijn embryonale ontwikkeling. Bij een menselijk embryo zijn korte tijd kieuwbogen en kieuwspleten te zien, die zich al snel ontwikkelen tot onder andere de minuscule gehoorbeentjes en de buis van Eustachius. En wat dacht je van je stuitbeentje, als rudimentaire staart?

10voorBiologie
Figuur 22. Tekening van de embryo's waarmee Haeckel zijn recapitulatietheorie illustreerde.

Rudimentaire organen zijn restanten van organen die bij verre voorouders nog een functie hadden en die in de loop van de evolutie hun functie hebben verloren. Ze zijn aanwijzingen voor vormen die bij voorouders aanwezig moeten zijn geweest. In het hoofdstuk Ordening kun je er meer over lezen (paragraaf 25.3.1).
 

 geen nieuwe deelconcepten