theorie_1819
← Alle Hoofdstukken
Inhoudsopgave

17 Omzetting, opslag en...
17.1. De lever
17.2. Bouw van de lever
17.3. Functies van de leve...
17.3.1. Suikerstofwisseling
17.3.2. Vetstofwisseling
17.3.3. Eiwitstofwisseling
17.3.4. Stikstofuitscheiding
17.3.5. Afbraak van rode blo...
17.3.6. Ontgifting
17.3.7. Opslag en uitscheidi...
17.3.8. Warmteproductie
17.3.9. Oefenvragen bij 17.3
17.4. Vetopslag
17.4.1. Toetsvragen bij 17.1...
17.5. Uitscheiding
17.6. De nieren
17.6.1. De bouw van de nier
17.6.2. De microscopische bo...
17.6.3. Werking van de niere...
17.6.4. Oefenvragen bij 17.6
17.7. De nieren en homeost...
17.7.1. Oefenvragen bij 17.7
17.8. Samenstelling van ur...
17.9. De urinewegen
17.9.1. Toetsvragen bij 17.5...
17.10. Lever, nieren en gez...
17.10.1. Nierdialyse en niert...

U bezoekt 10voorBiologie.nl als gast-gebruiker, waardoor u slechts een fractie van onze lesstof kunt bekijken. Met ons proefabonnement verkrijgt u toegang tot het volledige aanbod. Vraag het proefabonnement nu direct aan of neem contact op met info@10voorbiologie.nl.

17.6.3 Werking van de nieren

De werking van de nieren berust op een combinatie van drie processen: ultrafiltratie, terugresorptie en excretie. Het kapsel van Bowman is een dubbelwandig zakje van dekweefsel dat uit een enkele laag cellen bestaat. Met de elektronenmicroscoop is ontdekt dat de binnenste laag van het kapsel uit speciale cellen, podocyten, bestaat, die veel uitsteeksels hebben en dicht tegen de wand van de glomerulus aan liggen (zie figuur 11). Tussen de podocyten zitten minuscule spleten die filtratie toelaten. Door de bloeddruk wordt bloedvloeistof vanuit het bloedvat via deze spleten het kapsel in geperst. Het bloed wordt als het ware gefilterd.

Figuur 11. Glomerulus en podocyten
1 = afvoerend slagadertje; 2 = nierkanaaltje; 3 = juxtaglomerulaire cellen (produceren het hormoon erytropoëtine); 4 = aanvoerend slagadertje; 5 = kapsel van Bowman; 6 = glomerulus; 7 = podocyt; 8 = uitlopers van de podocyt

De bloedvloeistof bestaat uit opgeloste stoffen en kleine moleculen. Bloedcellen en grote eiwitmoleculen blijven in de bloedbaan. Dit proces heet ultrafiltratie. De vloeistof in het kapsel heet voorurine. De podocyten spelen een belangrijke rol bij de ultrafiltratie en de hoeveelheid die per tijdseenheid gevormd wordt. Als podocyten niet goed werken, worden ook bloedeiwitten doorgelaten en zit er (veel) eiwit in de urine.

Tussen de twee lagen van het kapsel van Bowman bevindt zich de holte, waarin de voorurine verzameld wordt. Gedurende de tocht van de voorurine in het afdalend nierkanaaltje, de lis van Henle en het opstijgend nierkanaaltje verandert de vloeistof van samenstelling en wordt het uiteindelijk urine.

Figuur 12. Het nefron
1 = aanvoerend slagadertje; 2 = afvoerend slagadertje; 3 = glomerulus; 4 = kapsel van Bowman; 
5 = afdalend nierkanaaltje; 6 = lis van Henle; 7 = afvoerend adertje; 8 = opstijgend
nierkanaaltje; 9 = verzamelkanaaltje; 10 = richting het nierbekken

Voorurine bevat de volgende stoffen: water, glucose, aminozuren, zouten, afvalstoffen, zoals ureum. De samenstelling van de voorurine is dus (ongeveer) gelijk aan die van bloedplasma zonder eiwitten. Van de totale bloeddoorstroming door de nieren (1 liter per minuut) wordt 125 ml voorurine in de kapsels van Bowman geperst. Per uur is dat 60 liter bloed en 7,5 liter voorurine en per dag 1440 liter bloed en 180 liter voorurine. Uit deze gegevens kun je afleiden dat onze totale hoeveelheid bloed (5 liter) 288 keer per etmaal door de nieren stroomt.

Als je de samenstelling van voorurine bekijkt (zie tabel 1), zie je dat er ook veel bruikbare stoffen in zitten. Het is maar goed dat in de nieren het grootste deel van de voorurine weer terug naar het bloed wordt gehaald. Dit gebeurt door het mechanisme van terugresorptie. Zie figuur 12. Wanneer de voorurine door het nierkanaaltje wordt gestuwd, feitelijk nog steeds door de bloeddruk in de glomerulus, wordt onderweg het grootste deel ervan teruggeresorbeerd naar het bloed. De meeste stoffen (ionen, glucose en aminozuren) worden door actief transport door de wandcellen van het nierkanaaltje en van de lis van Henle in de omliggende haarvaten geresorbeerd. Deze terugresorptie kost veel energie, waarvoor de haarvaten rond het nierkanaaltje en rond de lis van Henle zuurstof afgeven. Door het actief transport daalt de absolute hoeveelheid van de meeste stoffen in de voorurine aanzienlijk. Bovendien gaat er water terug naar het bloed. Dit gebeurt door osmose. 

In de vier delen van het nierkanaaltje, dat wil zeggen het afdalend deel, de lis van Henle, de opstijgende tak en het distale deel, worden niet overal dezelfde stoffen teruggeresorbeerd. Elk deel heeft een eigen functie, waarmee de verschillen in uiterlijk samenhangen.

Tegelijk met de terugresorptie worden er ook stoffen actief vanuit het bloed aan het nierkanaaltje afgegeven. Dit proces wordt excretie genoemd. De terugresorptie en de excretie worden mede door hormonen geregeld. De nier is dus geen simpel filter, maar een uiterst ingewikkeld orgaan. 

Tabel 1. Samenstelling van bloedplasma, voorurine en urine
 

bloedplasma (gram per 100 ml)

voorurine (gr per 100 ml)

urine (gram
per 100 ml) 

grote eiwitmoleculen
 
7 - 9
 
0

0
glucose
 
0,10
 
0,10

0
natriumionen
 
0,32
 
0,32

0,35
kaliumionen
 
0,02
 
0,02

0,15
ureum
 
0,03
 
0,03

2,0
ammoniak
 
0,0001
 
0,0001

0,025

Uiteindelijk wordt meer dan 99% van de voorurine teruggeresorbeerd, zo'n 178,5 liter van de 180 liter die per dag gevormd wordt. Er blijft gemiddeld 1,5 liter urine over met daarin gemiddeld 14 gram keukenzout en 30 gram ureum en een zeer kleine hoeveelheid ammoniak. Met de 178,5 liter voorurine die in totaal teruggeresorbeerd wordt, wordt o.a. gemiddeld 1,45 kilo keukenzout en 268 gram glucose mee teruggenomen.

 

Subdomein Deelconcepten Deelspecificatie
B3 ultrafiltratie, terugresorptie, voorurine, osmotische waarde, urine, ureum
B3.5