theorie_1819
← Alle Hoofdstukken
Inhoudsopgave

9 Gedragsbiologie
9.1. Wat is gedrag?
9.1.1. Motivatie en fitness
9.1.2. Gedragsonderzoek
9.1.3. Gedragssystemen
9.1.4. Toetsvragen bij 9.1
9.2. Leren
9.2.1. Graafwespen van Tinb...
9.2.2. Sleutelprikkels en s...
9.2.3. Klassiek conditioner...
9.2.4. Operant conditionere...
9.2.5. Inprenting
9.2.6. Aangeleerd of aangeb...
9.2.7. Oefenvragen bij 9.2
9.2.8. Toetsvragen bij 9.2
9.3. Intelligent gedrag
9.3.1. Oefenvragen bij 9.3
9.4. Sociaal gedrag
9.4.1. Altruïsme
9.4.2. Toetsvragen bij 9.3 ...
9.5. De sociale insecten
9.5.1. Wespen
9.5.2. Hommels en bijen
9.5.3. Communicatie bij bij...
9.5.4. Mieren en termieten
9.6. Voortplantingsgedrag
9.6.1. Baltsen: de beste pa...
9.6.2. Welke man is het bes...
9.6.3. Broedzorg
9.6.4. Toetsvragen bij 9.5 ...
9.7. En de mens...
9.7.1. Taal en lichaamstaal
9.7.2. Sleutelprikkels, ove...
9.7.3. Rangorde en rolpatro...
9.7.4. Territorium
9.7.5. Mensen en fitness
9.7.6. Normen en waarden
9.7.7. Toetsvragen bij 9.7

U bezoekt 10voorBiologie.nl als gast-gebruiker, waardoor u slechts een fractie van onze lesstof kunt bekijken. Met ons proefabonnement verkrijgt u toegang tot het volledige aanbod. Vraag het proefabonnement nu direct aan of neem contact op met info@10voorbiologie.nl.

Hoofdstuk 9: Gedragsbiologie

Subdomein D3, niet in CE, moet in SE

De studie van het gedrag van dieren - ethologie, ofwel gedragsbiologie genoemd - is ongetwijfeld de oudste vorm van biologische kennisvergaring. De prehistorische mens voedde zich met vlees als aanvulling op een voornamelijk plantaardig dieet van knollen, vruchten en zaden. Voor een deel nam hij genoegen met dode dieren, die hij in de savanne vond. Maar hij ging ook op jacht naar levende dieren. Hij moest goed op de hoogte zijn van de gewoonten van de dieren in zijn omgeving. Uit het gedrag van gieren kon hij bijvoorbeeld opmaken waar een kadaver te vinden was; aan het gedrag van een panter zag hij waar deze de rest van een prooi had verstopt. Uit de trekgewoonten van hoefdieren concludeerde hij waar en wanneer hij een goede kans had een minder snel dier te pakken te krijgen.

Zoals de kennis en het gedrag van onze verre voorouders bijdroeg aan hun overleving, zo draagt ook het gedrag van elk dier bij aan zijn overleving, of die van zijn nakomelingen. Het vak ethologie (de natuurwetenschappelijke studie van het diergedrag) is pas sinds de jaren vijftig als zelfstandig studievak ontwikkeld, hoewel daarvoor al baanbrekend onderzoek werd gedaan, vooral binnen de psychologie. Psychologen deden veel onderzoek naar dieren, vooral leeronderzoek dat vaak gebaseerd was op het idee dat alle gedrag aangeleerd kan worden.

Burrhus Skinner (1904-1990) onderzocht in de jaren twintig en dertig het leergedrag bij ratten en kwam tot de conclusie dat een dier in principe alles kan leren. Beroemd werd zijn 'skinnerbox', waarin ratten leerden als een soort automaat een hefboompje over te halen om een stukje voedsel te bemachtigen. De heersende opvatting in die tijd was het behaviorisme dat er van uit ging dat een dier (en mens) geboren wordt als een 'onbeschreven blad' en alles moest leren.

10voorBiologie
Figuur 1. De drie 'vaders' van de ethologie: Konrad Lorenz (boven), Nico Tinbergen (linksonder) en Karl von Frisch (rechtsonder).

Iets later kwam er een andere denkrichting, die juist uit ging van het overheersen van de instincten, die soms uiterst ingewikkeld bleken te zijn. De Oostenrijker Karl von Frisch bestudeerde twintig jaar lang de communicatie van bijen tot hij nauwkeurig kon beschrijven hoe die 'bijentaal' werkt (zie paragraaf 9.5.3). Ongeveer in dezelfde jaren observeerde Konrad Lorenz onder andere ganzen en beschreef vormen van aangeboren gedrag en leerprocessen bij jonge dieren (zie paragraaf 9.5.2). Een van de belangrijkste grondleggers van de moderne ethologie is de Nederlandse bioloog Nico Tinbergen. Hij bestudeerde dieren in hun natuurlijke omgeving, in Nederland en later ook in Engeland, waar hij hoogleraar werd. Hij werkte o.a. met wespen, stekelbaarsjes en meeuwen.

Rond 1950 werd het gedragsonderzoek sterk beïnvloed door felle discussies tussen ethologen en psychologen over de vraag of gedrag aangeboren (nature) of aangeleerd (nurture) is. Ethologen hamerden op de erfelijke aspecten en psychologen verdedigden de rol van leerprocessen. Uiteindelijk leidde deze discussie tot de opvatting dat gedrag, zoals ieder levenskenmerk, een fenotypisch verschijnsel is dat zich ontwikkelt door de wisselwerking tussen erfelijke aanleg en milieu. Genen én omgeving bepalen samen het gedrag. De enorme groei van ethologie na 1950 en de rol die ethologisch onderzoek zou kunnen spelen bij menselijke gedragsproblemen, leidde ertoe dat de Nobelprijs voor geneeskunde in 1977 werd toegekend aan de ethologen Karl von Frisch, Konrad Lorenz en Nico Tinbergen, een internationale erkenning van ethologisch gedragsonderzoek dat daarna dan ook een grote vlucht nam. 

De belangrijkste gedragsonderzoekers nu houden zich bezig met sociobiologie of met gedragsecologie. Beide richtingen leggen de nadruk op de evolutie van gedrag (zie paragraaf 26.7.3). Als gedrag zich, net als de bouw van het dier, ontwikkeld heeft in de evolutie, moet het berusten op de erfelijke aanleg die het dier van zijn ouders krijgt. Hiermee is dus de oude discussie over het al dan niet aangeboren zijn van gedrag in een andere vorm weer actueel geworden. 

 

Subdomein Deelconcept
D3 (in SE) nature, nurture