theorie_1819
← Alle Hoofdstukken
Inhoudsopgave

8 Moleculaire genetica
8.1. De structuur van DNA
8.1.1. Replicatie: verdubbe...
8.1.2. Polymerase-kettingre...
8.1.3. Sequensen
8.2. Transcriptie: DNA ov...
8.2.1. Messenger-RNA
8.2.2. Introns en exons
8.2.3. Epigenetica
8.3. De genetische code
8.3.1. Evolutie van de gene...
8.3.2. Niet-coderend DNA
8.3.3. Genetisch onderzoek
8.3.4. Toetsvragen bij 8.1 ...
8.4. Translatie: eiwitsyn...
8.4.1. Oefenvragen bij 8.4
8.4.2. Toetsvragen bij 8.4
8.5. Mutaties
8.6. Tweelingonderzoek
8.7. Ziekten waarin genen...
8.8. Klassieke veredeling...
8.8.1. Kloneren
8.8.2. Dieren fokken
8.8.3. Weefsel kweken
8.9. Moderne technieken
8.9.1. Plantenveredeling
8.9.2. Moleculaire techniek...
8.9.3. Forensisch onderzoek
8.9.4. Biotechnologie
8.9.5. Recombinant-DNA-tech...
8.9.6. Gentherapie met een ...
8.9.7. CRISPR-Cas
8.9.8. Celfusie
8.9.9. Kerntransplantatie
8.9.10. Stamcelklonering
8.9.11. - Extra - Nieuwe ont...
8.9.12. Toetsvragen bij 8.5 ...

U bezoekt 10voorBiologie.nl als gast-gebruiker, waardoor u slechts een fractie van onze lesstof kunt bekijken. Met ons proefabonnement verkrijgt u toegang tot het volledige aanbod. Vraag het proefabonnement nu direct aan of neem contact op met info@10voorbiologie.nl.

8.3.2 Niet-coderend DNA

Het percentage DNA dat bij eukaryoten voor eiwitten codeert, wordt geschat op slechts 1.5%. De rest wordt niet-coderend DNA genoemd. Daartoe behoren de eerder genoemde promotoren, terminatoren en transcriptiefactoren (zie paragraaf 8.2.1) en de introns (zie paragraaf 8.2.2).

Een andere categorie niet-coderend DNA zijn de pseudogenen. Zij hebben wel de structuur van een gen, maar leveren geen eiwit op. Voor een deel zijn dit onwerkzame ‘fossiele genen’ die in voorouders nog wel functioneerden. Een voorbeeld hiervan is het gen dat bij de meeste zoogdieren verantwoordelijk is voor de productie van vitamine C. Dit gen is bij primaten (waartoe onder andere de apen, mensapen en mensen behoren) nog wel terug te vinden, maar is niet meer werkzaam.

Nog een groep niet-coderend DNA zijn de stukken die wel in RNA worden overgeschreven, maar niet voor een eiwit coderen. Dit RNA noem je niet-coderend RNA (ncRNA). Deze RNA-moleculen blijken veel genregulerende functies te hebben (zie ook paragraaf 8.2.3). De DNA-delen die voor dit RNA coderen, worden RNA-genen (RNA genes) genoemd. Andere delen van het DNA die wel in RNA worden overgeschreven, maar geen eiwit opleveren, zijn de genen voor transfer-RNA en ribosomaal RNA.

In het genoom van eukaryoten, zoals de mens, komen vaak herhalingen van korte nucleotidereeksen voor. Deze worden microsatellieten genoemd, in het Engels short tandem repeats (STR's) of simple sequence repeats (SSR's); in het Nederlands repetitief DNA. Het aantal herhalingen op een bepaalde plaats (locus) in het genoom kan variëren en is net als een gen erfelijk. Per locus erf je dus een reeks herhalingen van je vader en een andere reeks van je moeder. In het menselijk genoom zijn duizenden van deze plaatsen aangetroffen. Door deze variabiliteit kunnen microsatellieten een hoofdrol vervullen in forensisch onderzoek en onderzoek naar verwantschap. Door van bepaalde loci het aantal herhalingen te bepalen, kun je van elk persoon een uniek DNA-profiel (DNA-fingerprint of DNA profiling) maken. Dit profiel bevat dus wel genetische informatie, maar niet over genen. Paragraaf 8.9.3 gaat dieper in op forensisch onderzoek. 

 

Subdomein Deelconcept Deelspecificatie
C1 niet-coderend DNA C1.1