theorie_1819
← Alle Hoofdstukken
Inhoudsopgave

2 Cellen: bouw en func...
2.1. Celonderzoek met de ...
2.1.1. Lichtmicroscoop
2.1.2. Elektronenmicroscoop
2.2. Celstructuren en hun...
2.2.1. De celkern
2.2.2. Celmembranen
2.2.3. Mitochondriën
2.2.4. Endoplasmatisch reti...
2.2.5. Golgi-systeem
2.2.6. Lysosomen
2.2.7. Cytoskelet
2.2.8. Plastiden
2.2.9. Vacuolen
2.2.10. Oefenvragen (1) bij ...
2.2.11. Oefenvragen (2) bij ...
2.2.12. Oefenvragen (3) bij ...
2.2.13. Toetsvragen bij 2.1 ...
2.3. Verschillen tussen p...
2.3.1. Toetsvragen bij 2.3
2.4. Opname en afgifte va...
2.4.1. Passief transport
2.4.2. Diffusie en osmose
2.4.3. Transport via het ce...
2.4.4. Actief transport
2.4.5. Oefenvragen bij 2.4
2.4.6. Toetsvragen bij 2.4
2.5. Weefsels en organen
2.6. Bacteriën
2.6.1. Gramnegatief en gram...
2.6.2. Inkapseling
2.7. Virussen
2.7.1. Infectie met een vir...
2.7.2. Toetsvragen bij 2.6 ...

U bezoekt 10voorBiologie.nl als gast-gebruiker, waardoor u slechts een fractie van onze lesstof kunt bekijken. Met ons proefabonnement verkrijgt u toegang tot het volledige aanbod. Vraag het proefabonnement nu direct aan of neem contact op met info@10voorbiologie.nl.

2.4.4 Actief transport

Een cel moet geregeld stoffen via het celmembraan verplaatsen tegen de concentratiegradiënt in. Dus van een lage concentratie naar een hoge; diffusie is dan uitgesloten. Voor deze vormen van stoffen transport moet de cel ‘moeite’ doen. Het kost energie. Daarom spreken we van actief transport.
Je kunt twee vormen van actief transport onderscheiden: 

  • met behulp van transporteiwitten (ionenpomp)
  • door middel van blaasjesvorming.

Bij een ionenpomp worden de te transporteren deeltjes de cel in of uit getransporteerd. Dit gebeurt meestal tegen het concentratieverval in en met behulp van een transporteiwit in het celmembraan. Aan de ene kant van het membraan bindt de stof zich aan het eiwit. Het eiwit beweegt zich via het celmembraan naar de andere kant. Daar aangekomen laat de stof weer los, en kan het transporteiwit opnieuw gebruikt worden. In zenuwcellen worden, om de rustsituatie te bereiken, natrium- en kaliumionen uitgewisseld door de natrium/kaliumpomp. Deze vorm van stoffen kost de cel veel energie. Die wordt geleverd door ATP.
 

10voorBiologie

Figuur 22a. Enzymatische pomp
Transporteiwitten hebben een bindingsplaats voor het te transporteren molecuul (hier Ca2+) en
een bindingsplaats voor ATP. De energie uit ATP verandert de vorm van het transporteiwit en
het molecuul wordt verplaatst. ADP + P komen vrij en het transporteiwit neemt zijn
oorspronkelijke vorm weer aan.

 

Figuur 22b. Blaasjestransport
links: endocytose van deeltjes; midden: endocytose van vocht; rechts: exocytose

Bekijk dit filmpje waarin blaasjestransport van cellulose plaatsvindt, in verband met de groei van een worteltopje: youtube.com/watch?v=7sRZy9PgPvg.

Bij transport met behulp van blaasjes worden stukjes van het celmembraan afgesplitst of juist met elkaar versmolten. In de gevormde blaasjes bevinden zich dan de stoffen die vervoerd worden. Vooral grote moleculen kunnen gemakkelijk op deze manier vervoerd worden. Het proces waarbij deeltjes naar buiten worden afgegeven, heet exocytose (exo = buiten). Het omgekeerde proces, waarbij transport plaats vindt van buiten naar binnen, heet endocytose (endo = binnen).

Gaat het om de opname van stoffen die in vloeibare vorm verkeren, dan spreekt men van pinocytose. De opname van vaste deeltjes of zelfs van eencellige organismen (witte bloedcellen die een bacterie opnemen) heet fagocytose. Een animatie van fagocytose kun je hier bekijken (klik hier voor de tablet). In dit filmpje kun je nog eens alle vormen van membraantransport bekijken. 

 

Subdomeinen Deelconcepten Deelspecificaties
B2 actief transport, ionenpomp, exocytose, endocytose B2.2
B4 Na/K-pomp B4.3
D2 Na/K-pomp D2.1