theorie_1617
← Alle Hoofdstukken
Inhoudsopgave

18 Zenuwstelsel en bewe...
18.1. Het zenuwstelsel
18.1.1. Steuncellen
18.1.2. Neuronen
18.1.3. Zenuwen
18.2. Algemene werking
18.2.1. Membraanpotentiaal
18.2.2. Depolarisatie, actie...
18.2.3. Impulsgeleiding
18.2.4. Impulsoverdracht
18.2.5. Neurotransmitters
18.2.6. Toetsvragen bij 18.2
18.3. Centrale zenuwstelse...
18.3.1. Ruggenmerg
18.3.2. Hersenstam
18.3.3. Reflexen
18.3.4. Kleine hersenen
18.3.5. Tussenhersenen
18.3.6. Grote hersenen
18.3.7. Schorsgebieden
18.3.8. Geheugen
18.3.9. Slapen
18.3.10. Hersenwerking zichtb...
18.3.11. Oefenvragen bij 18.3
18.3.12. Toetsvragen bij 18.3
18.4. Autonome zenuwstelse...
18.4.1. Werking van het auto...
18.4.2. Regelkringen
18.4.3. Toetsvragen bij 18.4
18.5. Bewegen
18.5.1. Het skelet
18.5.2. De knie
18.5.3. De spieren
18.5.4. Dwarsgestreepte spie...
18.5.5. Het sarcomeer
18.5.6. De motorische eenhei...
18.5.7. Actiepotentiaal in e...
18.5.8. Toetsvragen bij 18.5
U bezoekt 10voorBiologie.nl als gastgebruiker, waardoor u slechts een fractie van onze lesstof kunt bekijken. Met ons proefabonnement verkrijgt u toegang tot het volledige aanbod. Vraag het proefabonnement nu direct aan of neem contact op met info@10voorBiologie.nl.

18.1.1 Steuncellen

Het zenuwstelsel bestaat uit goed geordend en herkenbaar zenuwweefsel. In het zenuwweefsel zijn (maar) twee typen cellen te onderscheiden: neuronen (zenuwcellen) en steuncellen in een verhouding van 1:10. Neuronen zijn impulsgeleidende cellen waarop de werking van het zenuwstelsel gebaseerd is. Steuncellen dienen vooral het onderhoud en bescherming van de neuronen. Ze spelen tevens een rol bij het verhogen van de snelheid van de impulsgeleiding. In het centrale zenuwstelsel bevinden zich drie typen steuncellen. Ze worden met een verzamelnaam gliacellen genoemd. Het zijn de astrocyten, oligodendrocyten en de gliacyten.

Figuur 2a. Astrocyt
1 = astrocyt; 2 = bloedvat; 3 = neuron

Figuur 2b. Oligodendrocyt
1 = neuron; 2 = oligodendrocyt; 3 = myelineschede; 
4 = insnoering van Ranvier

De astrocyten zijn ongeveer even groot als neuronen. Ze voorzien de neuronen van voedingsstoffen en voeren afvalstoffen af. Ze zijn heel belangrijk voor het bewaken van de homeostase in de hersenen. Oligodendrocyten zijn vrij klein. Elke cel heeft zo’n vijftig lange uitlopers, die elk rond de neuronuitloper van een neuron gewikkeld zijn. Zo ontstaat een relatief dikke koker, die gevuld is met een vetachtige stof, myeline. Deze koker wordt myelineschede genoemd. De schede is regelmatig onderbroken. Deze onderbrekingen zijn de zogenoemde insnoeringen van Ranvier. Microglyocyten (microglia) zijn kleine spinachtige cellen die zich tussen het zenuwweefsel kunnen verplaatsen. Ze ruimen vooral lichaamsvreemde en aangetaste cellen (door fagocytose) op. Je kunt ze vergelijken met witte bloedcellen. Microglia vormen het immuunsysteem van het centrale zenuwstelsel.

In het perifere zenuwstelsel zijn de meeste neuronuitlopers omwikkeld door steuncellen, de cellen van Schwann. Deze bevatten ook myeline, net als de uitlopers van de oligodendrocyten van het centrale zenuwstelsel. De cellen van Schwann zijn meerdere keren om de neuriet gerold en voorzien de neuriet zo van zijn myelineschede. Deze schede wordt dan ook de schede van Schwann genoemd. De schede van Schwann heeft veel insnoeringen van Ranvier. Elk segmentje tussen twee insnoeringen is één cel van Schwann. De schede van Schwann heeft zowel een isolerende als verzorgende en ondersteunende functie. Je kunt ze de oligodendrocyten van het perifere zenuwstelsel noemen. De aanwezigheid van de myelineschede heeft een grote invloed op de snelheid van de impulsgeleiding

 

Subdomein Deelconcepten Deelspecificatie
B4 myelineschede, cellen van Schwann B4.3